FANDOM


HOOFDSTUK 6
DE WORTELS VAN DE ETHIEK:
WAAROM GEDRAGEN
WE ONS GOED?
Vreemd is onze toestand hier op Aarde. Iedereen komt voor een kort
bezoek, zonder te weten waarom, al lijken we soms de bedoeling ervan te
raden. Bezien vanuit het dagelijks leven is er echter één ding dat we wel
weten: dat de mens hier is ten bate van andere mensen - vooral van
degenen van wier glimlach en welzijn ons eigen geluk afhangt.
Albert Einstein

Veel gelovige mensen kunnen zich moeilijk voorstellen hoe je zonder godsdienst
goed kunt of zelfs maar wilt zijn. Vragen van die aard komen in dit
hoofdstuk aan bod. Maar de twijfels reiken verder en bewegen sommige gelovigen
tot uitbarstingen van haat jegens mensen die niet hetzelfde geloof delen.
Dat is een belangrijk gegeven, omdat er morele overwegingen schuilgaan achter
godsdienstige houdingen ten opzichte van andere thema's die geen echte relatie
hebben met moraliteit. Veel van de weerstand tegen het onderwijzen van de
evolutietheorie staat los van de erfelijkheidsleer zelf of van wetenschappelijke
overwegingen, maar wordt gevoed door morele verontwaardiging. Dat kan variëren
van het onnozele 'Als je kinderen leert dat ze van de apen afstammen,
gaan ze zich ook als apen gedragen' tot de subtiele achterliggende motivatie
voor de hele 'wigstrategie' ten gunste van de ID-theorie, zoals onbarmhartig
aan de dag werd gelegd door Barbara Forrest en Paul Gross in Creationism's
Trojan Horse: The Wedge of Intelligent Design.*
Ik krijg veel brieven van de lezers van mijn boeken,** meestal zijn die enthousiast
vriendelijk, soms behulpzaam kritisch, en heel af en toe zit er een onaardige
of zelfs boosaardige brief tussen. En de venijnigste brieven - ik vind het
jammer dat ik het zeggen moet - zijn vrijwel steevast ingegeven door religie.
Dat soort onchristelijke beschimpingen zijn doorgaans gericht tot mensen die
worden beschouwd als vijanden van het christendom. Ik heb hier bijvoorbeeld
een brief die op internet werd gepubliceerd en is gericht aan Brian Flemming,
schrijver en regisseur van The God Who Wasn't There?6 een oprechte en ontroerende
film die een lans breekt voor het atheïsme. De brief aan Flemming van 21
december 2005 met de titel 'We zullen lachen terwijl je verbrandt', luidt als
volgt:
Je hebt wel lef jij. Het liefst zou ik een mes pakken, jullie soort openleggen
en schreeuwen van plezier als jullie ingewanden voor jullie op de
grond kletsen. Je probeert een heilige oorlog te laten ontbranden, een
oorlog waarin ik, en anderen zoals ik, met veel plezier dingen zoals hierboven
genoemd zullen doen.

  • ) Zie voor een uitvoerige uiteenzetting over de 'Wedge Strategy' ook

http://en.wikipedia.org/wiki/Wedge-strategy (Noot van de vert.).

    • ) Meer dan ik redelijkerwijs op passende wijze kan beantwoorden - waarvoor mijn excuses.

DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 229
Op dat punt lijkt de auteur wat laat in te zien dat zijn taalgebruik niet erg christelijk
is, want hij vervolgt wat menslievender:
GOD leert ons echter niet om wraak uit te oefenen, maar om te bidden
voor figuren als jullie.
Zijn barmhartigheid duurt echter niet lang:
Ik put troost uit de wetenschap dat de straf die GO D jullie oplegt duizend
keer erger is dan wat ik jullie zou kunnen aandoen. En het mooiste is dat
jullie voor eeuwig zullen boeten voor deze zonden waarvan jullie totaal
geen weet hebben. De Toorn van GOD zal geen genade kennen. Ik hoop
voor jou dat de waarheid je wordt ontsluierd voordat het mes in je vlees
stoot. Vrolijk KE R S T M I S I \ <
PS Gasten als jullie hebben echt geen benul van wat jullie wacht... Ik
dank GO D dat ik niet in jullie schoenen sta.
Ik vind het echt verbijsterend dat niet meer dan een theologisch verschil van
mening tot zoveel giftigheid kan leiden. Hier nog een staaltje, ditmaal uit de
postzak van de hoofdredactrice van het tijdschrift Freethought Today, dat wordt
uitgegeven door de Freedom from Religion Foundation (FFRF), die vreedzaam
actie voert voor naleving van de grondwettelijk bepaalde scheiding van Kerk en
Staat.
Hallo, kaasvretend geteisem. D'r benne veel meer christenen als ons dan
mislukkelingen als jullie. D'r is helemaal geen scheiding van Kerk en
Staat en jullie heidenen verliezen d i t . ..
Wat is dat toch met kaas? Amerikaanse vrienden vermoeden dat er mogelijk
een verband bestaat met de berucht liberale staat Wisconsin, thuisbasis van de
FFRF en epicentrum van de zuivelindustrie, maar er moet toch iets meer aan de
hand zijn dan dat? Wat is de iconografie van kaas in semiotisch opzicht? Enfin,
we gaan verder:
230 GOD ALS MISVATTING
Satan aanbiddend tuig [... ] Stik de moord en rot op naar de hel [... ] Ik
hoop dat jullie een pijnlijke ziekte oplopen zoals rectale kanker en langzaam
en jankend van pijn de pijp uit gaan, zodat jullie oog in oog komen
staan met jullie God SATAN [... ] Hé, eikel, dat gezeik over vrijheid van
godsdienst is allemaal gelul [... ] Dus doe nou maar rustig aan, jullie flikkers
en potten, en kijk uit wat je doet, want god grijpt je als je er het
minst op bedacht bent [... ] Als dit land je niet bevalt, of waar het op &
voor is gesticht, fuck dan gauw op en rot op naar de hel [... ].
PS Lazer 'n end op, communistische hoer [... ] Sodemieter op uit de VS
met die dikke zwarte reet van je [... ] Dit wordt niet vergeven. De Schepping
is meer als genoeg bewijs van de almacht van de HEER JEZUS
CHRISTUS.
Waarom niet de almacht van Allah? Van Brahma? Zelfs die van Jahweh?
We lopen niet stil weg. Als er in de toekomst geweld mot worden gebruikt,
bedenk dan dat jullie d'r mee zijn begonnen. Mijn geweer is geladen.
-
Ik vraag me steeds weer af waarom God met zoveel verve verdedigd moet worden.
Je zou verwachten dat hij ruimschoots in staat is om zijn eigen boontjes te doppen.
Houd bij dat alles ook nog voor ogen dat de hoofdredactrice die zo heftig
wordt beledigd en bedreigd, een al even vriendelijke als elegante jonge vrouw is.
De meeste haatbrieven die ikzelf krijg zijn niet allemaal van dat genre - misschien
omdat ik niet in Amerika woon - al ademen ze ook niet bepaald de
menslievendheid die de stichter van het christendom zo deed opvallen. In mei
2005 kreeg ik een brief van een Britse arts, die weliswaar vol hatelijkheden staat,
maar toch eerder getormenteerd dan boosaardig overkomt. De brief onthult
hoezeer de hele moraliteitskwestie een diepe bron van vijandigheid tegen het
atheïsme is. Na een paar inleidende alinea's waarin de briefschrijver de erfelijkheidsleer
hekelt (en zich sarcastisch afvraagt of een 'neger' nog 'midden in het
evolutieproces verkeert'), Darwin persoonlijk beledigt, Huxley verkeerd citeert
als anti-evolutionist en mij aanmoedigt een boek te lezen (heb ik gedaan) dat
staande houdt dat de wereld slechts achtduizend jaar oud is (je vraagt je af of de
man écht gestudeerd heeft) komt hij tot de conclusie:
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 231
Uw eigen boeken, uw prestige in Oxford, alles wat u liefheeft in het leven,
alles wat u ooit heeft bereikt, zijn dus een oefening in volslagen
doelloosheid [...]. De provocerende vraag van Camus wordt onvermijdelijk:
waarom plegen we niet allemaal zelfmoord? Uw wereldbeeld
heeft inderdaad zo'n soort effect op studenten en vele anderen [... ] dat
we allemaal zijn geëvolueerd door blind toeval, uit het niets, en ook zullen
terugkeren naar het niets. Ook al zou godsdienst niet waar zijn, dan
ware het nog altijd beter, veel beter, om te geloven in een nobele mythe,
zoals die van Plato, als dat leidt tot gemoedsrust gedurende ons leven.
Maar uw visie op de wereld leidt tot angst, drugsverslaving, geweld, nihilisme,
hedonisme, Frankenstein-wetenschap, de hel op Aarde en de
derde wereldoorlog [...]. Ik vraag me af hoe gelukkig ü bent in uw persoonlijke
relaties? Gescheiden? Weduwnaar? Homo? Lieden als u kunnen
niet gelukkig zijn, anders zouden ze niet zoveel moeite doen om te
bewijzen dat er geen geluk of betekenis is te vinden in wat dan ook.
De strekking en ook de toon van dit schrijven zijn typisch voor veel andere brieven.
Deze persoon meent dat het darwinisme intrinsiek nihilistisch is, dat het
leert dat we zijn geëvolueerd door blind toeval (voor de zoveelste keer: natuurlijke
selectie is juist volkomen tegenovergesteld aan een toevalsproces) en dat er
na de dood niets van ons overblijft. Als rechtstreeks gevolg van dat zogenaamde
negativisme, doet zich allerlei onheil voor. Vermoedelijk meende hij het niet
echt toen hij erop zinspeelde dat de weduwstaat direct zou kunnen voortspruiten
uit mijn darwinisme, maar in dat stadium had zijn brief wel het peil van opgewonden
kwaadwilligheid bereikt dat ik vaker herken bij mijn christelijke
briefschrijvers. Ik heb een heel boek (Een regenboog ontrafelen) gewijd aan de
ultieme zingeving, aan de poëzie van de wetenschap, en aan het specifiek en uitvoerig
weerleggen van de beschuldiging dat atheïsten nihilistische negatievelingen
zijn. Daarom zal ik me hier inhouden. Dit hoofdstuk gaat over kwaad en
over het tegengestelde daarvan, goed. Het gaat over moraliteit: waar het vandaan
komt, waarom we het in de armen zouden moeten sluiten en of we godsdienst
nodig hebben om dat te doen.
232 GOD ALS MISVATTING
IS ONS MOREEL BESEF VAN
DARWINISTISCHE HERKOMST?
Nogal wat boeken, waaronder Why Good is Good van Robert Hinde, The Science
of Good and Evil van Michael Shermer, Can We be Good Without God? van Robert
Buckman en Moral Minds van Mare Hauser, stellen dat ons besef van goed
en kwaad uit ons darwinistische verleden stamt. In dit subhoofdstuk wil ik mijn
eigen visie op dat standpunt uiteenzetten.
Op het eerste gezicht lijkt de darwinistische idee dat evolutie wordt aangedreven
door natuurlijke selectie niet zo geschikt om te verklaren waar het goede
in ons vandaan komt, onze gevoelens op ethisch vlak, zaken als fatsoen, empathie
en medelijden. Met natuurlijke selectie kun je vlot dingen uitleggen als
honger, angst en seksueel verlangen; zaken die allemaal onweerlegbaar bijdragen
tot onze overlevingskansen of het behoud van onze genen. Maar hoe zit het
met het stekende medelijden dat we ervaren als we een weeskind zien huilen,
een oude weduwe die wanhopig is van eenzaamheid of een dier dat kermt van
pijn? Wat bezorgt ons de krachtige prikkel om anoniem geld of kleren te schenken
aan tsunamislachtoffers aan de andere kant van de wereld die we nooit zullen
ontmoeten en die hoogst waarschijnlijk niet hetzelfde voor ons zouden
doen? Waar komt die goede Samaritaan in ons vandaan? Is goedheid niet onverenigbaar
met de theorie van het 'zelfzuchtige gen'? Nee. Dit een veel voorkomende,
maar verkeerde interpretatie van de theorie: het is een verontrustend
(en achteraf bezien voorspelbaar) misverstand.* Het is van belang om de nadruk
te leggen op het juiste woord: 'gen'. Als je abusievelijk het woord 'zelfzuchtige'
beklemtoont, zou je als tegenovergestelde 'het altruïstische gen' krijgen
en dat zou verkeerd zijn. Het zelfzuchtige gén is de juiste klemtoon, omdat
het instaat voor een contrast ten opzichte van laten we zeggen het zelfzuchtige
organisme of de zelfzuchtige soort. Ik verklaar me nader.

  • ) Ik schrok me een ongeluk toen ik las in The Guardian ('Animal Instincts', 27 mei 2006) dat Onze

zelfzuchtige genen het favoriete boek was van Jeff Skilling, president-directeur van het abjecte bedrijf
Enron, en dat hij inspiratie had geput uit het personage van de 'sociale darwinist' dat ik erin opvoer.
Guardian-journalist Richard Conniff legt goed uit waar dat misverstand vandaan komt: http://
money.guardian.co.uk/workweekly/story/o„i78390o,oo.html. Ik doe een poging om dergelijke misverstanden
voor te zijn in mijn nieuwe voorwoord bij de editie ter gelegenheid van de dertigste verjaardag
van het boek, die onlangs is verschenen bij Oxford University Press.
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 233
De logica van het darwinisme komt tot de slotsom dat de 'eenheid' (unit) in
de hiërarchie van het leven die overleeft en door het filter van de natuurlijke selectie
weet te dringen, is geneigd tot egoïsme. Eenheden die in de wereld overleven
zijn erin geslaagd te overleven ten koste van hun rivalen op hun eigen niveau
in de hiërarchie van het leven. Dat is exact wat 'zelfzuchtig' in dit verband
betekent. De vraag is wat het niveau van de actie is? De hele idee van het zelfzuchtige
gen, met de nadruk op het laatste woord dus, is dat de eenheid van natuurlijke
selectie (d.w.z. de eenheid van eigenbelang) niet het zelfzuchtige organisme
is, noch de zelfzuchtige groep of de zelfzuchtige soort of het zelfzuchtige
ecosysteem, maar het zelfzuchtige gen. Het is het gen dat in de vorm van informatie,
óf vele generaties overleeft óf dat niet doet. In tegenstelling tot het gen
(en ik denk ook de meme) zijn het organisme, de groep en de soort niet het goede
type entiteiten om in die zin als eenheid te fungeren, omdat ze geen exacte
kopieën van zichzelf maken, en niet met elkaar concurreren in een reservoir
van zulke zelfreplicerende entiteiten. Dat is precies wat genen wel doen, en dat
is de - eerder op logica gestoelde - rechtvaardiging van het feit dat het gen is uitgekozen
als de eenheid van 'zelfzuchtigheid' in de bijzondere darwinistische betekenis
van het woord.
De meest voor de hand liggende manier waarop genen zich verzekeren van
hun eigen 'zelfzuchtige' overleven ten opzichte van andere genen is door individuele
organismen als egoïstisch te programmeren. Er zijn dan ook veel omstandigheden
waarin het overleven van het individuele organisme ten goede komt
aan het overleven van de genen die in dat organisme 'meerijden'. Maar verschillende
omstandigheden moedigen andere tactieken aan. Er zijn omstandigheden
- niet eens zo zeldzaam - waaronder genen ervoor zorgen zelfzuchtig te
overleven door lichamen te beïnvloeden om zich juist altruïstisch te gedragen.
Die omstandigheden kennen we inmiddels vrij goed. Ze zijn in twee hoofdcategorieën
in te delen. Een gen dat individuele organismen programmeert om hun
genetische verwanten voor te trekken, zal statistisch waarschijnlijk kopieën van
zichzelf bevoordelen. De frequentie van zo'n gen kan dan groter worden in het
genenreservoir en wel in die mate dat altruïsme jegens verwanten de norm
wordt. Goed zijn voor je eigen kinderen is het voor de hand liggende voorbeeld,
maar niet het enige. Bij bijen, wespen, mieren en termieten - in mindere mate
ook bij bepaalde gewervelde dieren zoals stokstaartjes, naakte blindmuizen en
eikelspechten - zijn samenlevingsverbanden geëvolueerd waarin oudere broers
en zussen zorgen voor de jongsten (met wie ze waarschijnlijk de genen gemeen
234 GOD ALS MISVATTING
hebben om die zorg op zich te nemen). Wijlen mijn collega W.D. Hamilton
toonde aan dat dieren in het algemeen geneigd zijn om de zorg en verdediging
op zich te nemen, middelen te delen, te waarschuwen voor gevaar of anderszins
blijk te geven van altruïsme jegens naaste verwanten vanwege de statistische
waarschijnlijkheid dat deze kopieën van dezelfde genen delen.
Het andere hoofdtype altruïsme waarvoor we een goed uitgewerkt darwinistisch
principe hebben is wederzijds altruïsme ('Als de ene hand de andere
wast, zijn ze beide schoon'). Deze theorie, geïntroduceerd in de evolutionaire
biologie door Robert Trivers en vaak uitgedrukt in de wiskundige taal van de
speltheorie, is niet afhankelijk van gedeelde genen. Sterker nog, het systeem
werkt even goed, misschien nog wel beter, tussen leden van diametraal verschillende
soorten. Vaak spreken we dan van symbiose. Het principe is overigens
ook de basis van het ruilen en handelen bij mensen. De jager heeft een speer nodig
en de smid wil vlees. Het is de asymmetrie die de transactie regelt. De bij
heeft nectar nodig en de bloem moet bestoven worden. Bloemen kunnen niet
vliegen, dus betalen ze bijen in de vorm van nectar om hun vleugels in te huren.
Honingwijzers zijn spechtachtigen die bijennesten kunnen vinden, maar zich
er geen toegang toe kunnen verschaffen. De honingdas of ratel (Mellivora capensis)
kan wel inbreken in bijennesten, maar mist de vleugels om naar zulke
nesten te zoeken. Honingwijzers leiden ratels (soms ook mensen) naar honing
door middel van een bijzondere lokvlucht die geen ander doel dient. Beide partijen
hebben baat bij de transactie. Een pot vol goud kan onder een steen liggen
die zo zwaar is dat de ontdekker hem niet zelfstandig kan verplaatsen. Hij doet
een beroep op de hulp van anderen, ook al moet hij het goud dan delen, omdat
hij zonder hun hulp helemaal geen goud zou hebben. Het planten- en dierenrijk
is rijk aan zulke symbiotische relaties: buffels en ossenpikkers, heliconia's
en kolibries, tandbaarzen en lipvissen, koeien en hun intestinale micro-organismen.
Wederzijds altruïsme werkt vanwege de asymmetrie in behoeften en in
de bekwaamheid om erin te voorzien. Daarom werkt het vooral goed tussen
verschillende soorten: de asymmetrie is groter.
Bij mensen kunnen transacties worden vertraagd door schuldbekentenissen
en geld. Handeldrijvende partijen overhandigen elkaar de goederen niet simultaan,
maar kunnen een schuld aangaan en zo'n schuld zelfs weer verhandelen.
Voor zover ik weet zijn er geen dieren in het wild die zich bedienen van een direct
equivalent van geld. Maar de identiteit van een individu paraat hebben in het geheugen
speelt in informelere zin dezelfde rol. Zo leren vampiervleermuizen welke
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 235
andere individuen van hun sociale groep zijn te vertrouwen om hun 'schulden' af
te betalen (in de vorm van uitgebraakt bloed) en welke individuen de kluit belazeren.
Natuurlijke selectie bevoordeelt genen die individuen predisponeren - in relaties
waarbij sprake is van asymmetrische behoeften en vaardigheden - om te geven
wanneer ze kunnen en vragen om te ontvangen als ze zelf niet kunnen geven.
Dat werkt ook de tendens in de hand dat individuen verplichtingen onthouden,
wrok jegens anderen ontwikkelen, de ruilbalans goed in de gaten houden en bedriegers
straffen die wel nemen, maar niet geven wanneer het hun beurt is.
Want valsspelers zullen er altijd zijn, en bij 'stabiele' oplossingen van speltheoretische
vraagstukken rond wederzijds altruïsme is altijd een element aanwezig
dat valsspelers bestraft. Wiskundige theorieën bieden de mogelijkheid
twee brede categorieën van stabiele oplossingen te onderscheiden voor 'spelscenario's'
van dit type. 'Wees altijd gemeen' is stabiel in die zin dat als alle anderen
het doen, een aardig individu er nooit beter van afkan komen. Maar er is
nog een andere stabiele strategie. ('Stabiel' betekent dat bij overstijging van een
kritieke frequentie in de bevolking, geen enkel alternatief een beter effect sorteert.)
En dat is de strategie onder het motto 'Wees eerst aardig en gun anderen
het voordeel van de twijfel. Betaal goed gedrag terug met goed gedrag, maar
wreek slecht gedrag.' In de speltheorie zijn er verschillende namen voor deze
strategie (of klasse van verwante strategieën), waaronder 'Tit-for-Tat', maar wij
zullen spreken van vereffenings- of gelijkemuntstrategie. Deze strategie is in
evolutionair opzicht stabiel (onder bepaalde voorwaarden) daar in een gegeven
bevolking die wordt beheerst door vereffenaars, geen enkel malafide noch onvoorwaardelijk
aardig individu, betere resultaten zal boeken. Er zijn nog andere,
ingewikkelder varianten op de vereffeningsstrategie die in bepaalde omstandigheden
beter kunnen uitvallen.
Ik had het net over verwantschap en het ruilprincipe als de twee zuilen
waarop altruïsme in een darwinistische wereld berust, maar er zijn secundaire
structuren die zich weer boven die twee zuilen verheffen. Vooral in de mensenmaatschappij
met haar taal en roddelpraat, is reputatie een belangrijk gegeven.
Een individu kan bekend staan om zijn vriendelijkheid en vrijgevigheid. Een
andere individu kan de naam hebben onbetrouwbaar te zijn, te bedriegen en
zijn woord te breken. Weer een ander kan te boek staan als vrijgevig wanneer hij
iemand vertrouwt, maar ook bekend staan als genadeloze vergelder wanneer iemand
hem beduvelt. De onopgesmukte theorie van het wederzijds altruïsme
verwacht van dieren van elke soort dat ze hun gedrag baseren op een onbewuste
236 GOD ALS MISVATTING
gevoeligheid voor zulke trekken bij hun soortgenoten. In menselijke samenlevingsverbanden
voegen we de kracht van de taal toe om reputaties te verspreiden,
meestal in de vorm van roddel. Je hoeft niet per se zelf het slachtoffer te zijn
geworden van het feit dat X in het café geen rondje gaf toen het zijn beurt was. Je
hoort door geruchten dat X een krent is, of - om het voorbeeld ironisch te compliceren
- dat Y een vreselijke roddeltante is. Reputatie is belangrijk, en biologen
erkennen dat er niet alleen een darwinistische overlevingswaarde is verbonden
aan het feit dat men een goede gelijkemuntbetaler is, maar ook aan het
genieten van de reputatie een goede gelijkemuntbetaler te zijn. The Origins of
Virtuevan Matt Ridley is niet alleen een glasheldere uiteenzetting van darwinistische
moraliteit, maar beschrijft ook heel goed het belang van reputatie.*
De Noors-Amerikaanse econoom Thorstein Veblen en, op een heel andere
manier, de Israëlische zoöloog Amotz Zahavi hebben daar een bijkomende en fascinerende
idee aan toegevoegd. Altruïstisch geven kan een manifestatie zijn van
dominantie of superioriteit. Antropologen kennen die opvatting als het 'potlatcheffect',
naar het gebruik van rivaliserende stamhoofden ten noordwesten van
de Stille Oceaan om met elkaar te duelleren in de vorm van het aanrichten van
rampzalig dure feesten. In extreme gevallen duren die perioden van revancherend
feestvieren totdat één partij zich in een staat van grote behoeftigheid bevindt - terwijl
de winnaar van het duel weinig beter af is. Het concept 'conspicuous consumption'
(geldsmijterij) van Veblen vindt ook weerklank bij veel hedendaagse
trendwatchers. Zahavi's bijdrage aan de discussie - door biologen vele jaren veronachtzaamd
totdat zijn stelling werd geschraagd door briljante wiskundige modellen
van de theoreticus Alan Grafen - is het aanreiken van een evolutionaire versie
van het potlatcheffect geweest. Zahavi bestudeert de Arabische babbelaar
(Turdoides squamiceps), een bruin vogeltje dat in sociale groepen leeft en jongen
in coöperatief verband grootbrengt. Zoals veel kleine vogels kennen deze babbe-

  • ) Reputatie is niet beperkt tot mensen. Onlangs is aangetoond dat het ook van toepassing is op dieren.

Een van de klassieke gevallen van wederzijds altruïsme bij dieren is de symbiotische relatie tussen
kleine schoonmaakvissen en hun klandizie van grote vissen. Bij een vernuftig experiment bleek dat individuele
lipvissen, Labroides dimidiatus, waarvan een potentiële klant door observatie had vastgesteld
dat ze zorgvuldige schoonmakers waren, meer kans hadden te worden geselecteerd door deze
klant dan concurrerende lipvissen waarvan de potentiële klant had vastgesteld dat ze maar half of helemaal
geen schoonmaakwerk deden. Zie: R. Bshary & A. S. Grutter, 'Image scoring and cooperation
in a cleaner fish mutualism', Nature 441,22 juni 2006, blz. 975-8.
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 237
laars een waarschuwingsroep, en ook geven ze elkaar eten. Een normaal darwinistisch
onderzoek van zulke altruïstische handelingen zou in de eerste plaats zoeken
naar relaties op basis van ruilafspraken of verwantschap onder deze vogels. Als een
babbelaar een soortgenoot te eten geeft, gebeurt dat dan in de verwachting zelfbij
een andere gelegenheid te eten te krijgen? Of is de ontvanger van de gunst een nauwe
genetische verwant? Zahavi's uitleg van het fenomeen is volslagen onverwacht.
Dominante babbelaars bevestigen hun dominantie door ondergeschikte dieren te
voeden. Of om het soort antropomorfe taal te gebruiken waar Zahavi dol op is: de
dominante vogel zegt iets in de trant van: 'Moetje zien hoe superieur ik ben vergeleken
bij jou: ik kan het me veroorloven om jou voedsel te geven!' Of: 'Moet je zien
hoe superieur ik ben, ik kan het me veroorloven mijzelf kwetsbaar te maken voor
haviken door op een hoge tak de wacht te houden om de rest van de zwerm te
waarschuwen die op de grond foerageert!' De waarnemingen van Zahavi en zijn
collega's doen vermoeden dat babbelaars actief concurreren om de rol van bewaker.
En als een ondergeschikte babbelaar probeert voedsel te geven aan een dominant
individu, dan wordt die ogenschijnlijke vrijgevigheid agressief afgewezen. De
kern van Zahavi's idee is dat blijken van superioriteit worden bekrachtigd door de
kostprijs ervan. Alleen een individu dat echt superieur is, kan het zich veroorloven
zijn meerwaardigheid te benadrukken door iets waardevols te schenken. Individuen
kopen succes, bijvoorbeeld bij het aantrekken van partners, door dure blijken
van superioriteit, onder meer door opzichtige vrijgevigheid en risicovol gedrag
voor het algemeen belang.
We hebben nu vier goede darwinistische redenen waarom dieren altruïstisch
zouden zijn, dat wil zeggen vrijgevig of 'moreel correct' tegen elkaar. Ten
eerste is er het bijzondere geval van de genetische verwantschap. Ten tweede is
er het ruilprincipe: het met gelijke munt terugbetalen van genoten gunsten en
het doen van gunsten met het 'vooruitzicht' navenant te worden terugbetaald.
Hieruit ontspruit de derde reden: het darwinistische voordeel dat is verbonden
aan de reputatie vrijgevig en vriendelijk te zijn. En ten vierde, als Zahavi het bij
het goede eind heeft, is er nog dat vreemde extra voordeel verbonden aan opzichtige
vrijgevigheid: onvervalst reclame voor zichzelf maken.
Gedurende het belangrijkste deel van onze prehistorie leefden mensen onder
omstandigheden die de evolutie van alle vier de soorten van altruïsme krachtig
zouden hebben bevorderd. We leefden in dorpen en in een vroeger stadium verkeerden
we als bavianen in afzonderlijk zwervende groepen, deels afgezonderd
van naburige troepen of dorpen. Onze troepgenoten waren voor het merendeel
238 GOD ALS MISVATTING
familie, dus nauwer aan ons verwant dan leden van andere troepen: mogelijkheden
te over dus voor de evolutie van familie-altruïsme. En of ze nu nauw verwant
waren of niet, de kans was groot dat je gedurende je leven steeds weer dezelfde
individuen tegen zou komen: ideale omstandigheden dus voor de evolutie
van wederzijds altruïsme. En diezelfde omstandigheden waren ook ideaal om de
reputatie van altruïst op te bouwen; en meteen ook de goede setting om te koop
te lopen met opzichtige vrijgevigheid. Langs één of misschien wel al die routes
zouden genetische tendensen tot altruïsme zijn bevorderd bij de vroege mens.
Het is gemakkelijk om in te zien waarom onze prehistorische voorouders zich
goed gedroegen jegens hun groepsgenoten, maar slecht - tot op het xenofobe af
- ten opzichte van andere groepen. Maar waarom - nu de meesten van ons in
grote steden wonen waar we niet meer worden omringd door verwanten, en
waar we dagelijks individuen tegenkomen die we nooit nogmaals zullen tegenkomen
- waarom zijn we nog steeds goed jegens elkaar, soms zelfs jegens anderen
van wie we vermoeden dat ze tot een groep buitenstaanders behoren?
Het is belangrijk om de reikwijdte van natuurlijke selectie niet verkeerd
weer te geven. Selectie bevoordeelt niet de evolutie van een cognitief bewustzijn
van wat goed is voor je genen. Dat bewustzijn kon pas in de twintigste eeuw een
cognitief niveau bereiken, en zelfs nu nog is volledig inzicht in die materie beperkt
tot een handjevol gespecialiseerde wetenschappers. Wat natuurlijke selectie
wel bevoordeelt zijn vuistregels die in de praktijk voordelig zijn voor degenen
die die regels hebben geformuleerd. De aard van vuistregels is dat ze
soms de plank misslaan. In de hersenen van een vogel heeft de regel 'Zorg voor
kleine piepende dingen in je nest en stop voedsel in hun opengesperde snavels'
de uitwerking dat genen worden behouden die de regel hebben opgesteld, omdat
die piepende gevallen met hun open bekken in het nest van een volwassen
vogel doorgaans zijn eigen jongen zijn. De regel flopt als een ander vogeljong op
een of andere manier in het nest belandt, een situatie die duidelijk op touw
wordt gezet door de koekoek. Zou het kunnen zijn dan onze aanvechting om de
goede Samaritaan te spelen ook een vorm van de plank misslaan is, analoog aan
het floppen van het ouderinstinct van de rietzanger wanneer die vogel zich afmat
voor een koekoeksjong? Een nog sprekender analogie is de wens van sommige
mensen om een kind te adopteren. Laat me er wel snel bij zeggen dat 'floppen'
in de louter darwinistische zin van het woord is bedoeld, en dus gespeend
is van welke ongunstige connotatie ook!
De 'fout'- of'bijproduct'-idee die ik steun, werkt als volgt. In voorouderlij-
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 239
ke tijden, toen wij als bavianen leefden in kleine en stabiele troepen, programmeerde
natuurlijke selectie in onze hersenen altruïstische impulsen, samen met
seksuele impulsen, hongerimpulsen, xenofobe impulsen enzovoort. Een intelligent
stel kan Darwin lezen en weet dan dat de ultieme reden voor hun seksuele
impulsen voortplanting is. Ze weten dat ze geen kind kunnen verwekken omdat
de vrouw aan de pil is. Toch ondervinden ze dat hun seksuele verlangen niet afneemt
vanwege die kennis. Seksueel verlangen is seksueel verlangen en de
kracht daarvan in de psychologie van een individu staat los van de ultieme darwinistische
druk die dat verlangen heeft bewerkstelligd. Seksuele begeerte is een
krachtige neiging die onafhankelijk van haar ultieme grondreden bestaat.
Mijn stelling is dat hetzelfde opgaat voor de drang tot vriendelijkheid - tot
altruïsme, vrijgevigheid, empathie, medelijden. In voorouderlijke tijden hadden
we alleen de gelegenheid om ons altruïstisch te gedragen jegens nauwe verwanten
en potentiële ruilpartners. Tegenwoordig is die beperking opgeheven,
maar de vuistregel is blijven bestaan. Waarom ook niet? Het is vergelijkbaar
met seksueel verlangen. We kunnen er net zomin iets aan doen dat we medelijden
voelen voor een huilende pechvogel (die geen familie is en niet in staat dat
gevoel meteen te beantwoorden) als we kunnen verhelpen dat we een lid van de
andere sekse begeren (ook al is die persoon onvruchtbaar of anderszins niet in
staat tot voortplanting). In beide gevallen 'flopt' er iets; het zijn darwinistische
fouten: gezegende, waardevolle fouten.
Dit 'darwiniseren' mag geen seconde worden uitgelegd als een geringschattende
kijk op nobele emoties als medelijden en menslievendheid. Of op seksueel
verlangen. Seksueel verlangen, wanneer het door de kanalen wordt geleid
van de talige cultuur, ontpopt zichzelf als prachtige dicht- en toneelkunst: denk
aan de liefdesgedichten van John Donne of aan Romeo and Juliet. En natuurlijk
gebeurt hetzelfde met de 'geflopte' nieuwe richting die aanvankelijk op verwanten
en gelijkemuntbetalers gericht medelijden heeft genomen. Clementie jegens
een schuldenaar is buiten context beschouwd even ondarwinistisch als het
adopteren van andermans kind:
The quality of mercy is not strained.
It droppeth as the gentle rain from heaven
Upon the place beneath.*

  • ) Beroemd citaat uit De koopman van Venetië (4d e'bedrijf, ie toneel) (Noot van de vert.).

240 GOD ALS MISVATTING
Seksueel verlangen is de stuwende kracht achter een reusachtig groot deel van
de ambitie en strijd bij mensen, en veel ervan is te zien als het haperen van een
genetische vuistregel. Er is geen reden om aan te nemen waarom hetzelfde niet
zou gelden voor het verlangen om ruimhartig en medelevend te zijn, als dat een
'mislukte' consequentie is van het voorvaderlijke dorpsleven. De beste manier
waarop natuurlijke selectie beide soorten van verlangen kon inbouwen in voorouderlijke
tijden was door vuistregels in te prenten in de hersenen. Die regels
beïnvloeden ons vandaag de dag nog, zelfs wanneer omstandigheden ze ongeschikt
maken voor hun oorspronkelijke taak.
Die vuistregels beïnvloeden ons nog altijd, niet langs het pad van de calvinistische
noodwendigheidsleer, maar gefilterd door de beschavende invloeden van
literatuur en gebruiken, recht en traditie, en natuurlijk van religie. Zoals de primitieve
regel van seksuele lust door het filter van de beschaving sijpelt om te culmineren
in de liefdesscènes van Romeo and Juliet, zo culmineren primitieve hersenregels
van wraakzuchtigheid (wij tegen hen) in de eindeloze strijd tussen de
Capulets en Montagues; terwijl primitieve hersenregels voor altruïsme en mededogen
weer stokken met het hartverscheurende slot van Shakespeares tragedie.
DE WORTELS VAN MORALITEIT: EEN CASUS
Als ons moreel bewustzijn net als ons seksueel verlangen inderdaad diep is geworteld
in ons darwinistische verleden, en ouder is dan godsdienst, mag je verwachten
dat onderzoek naar het menselijk denken bepaalde morele universalia
onthult die geografische en culturele barrières overstijgen en - heel belangrijk -
ook godsdienstige barrières. Mare Hauser, bioloog aan de universiteit van Harvard,
weidt in zijn boek Moral Minds: How Nature Designed our Universal Sense
ofRight and Wrong uit over een vruchtbare reeks gedachte-experimenten die
oorspronkelijk naar voren zijn geschoven door moraalfilosofen. Hausers studie
komt van pas bij het introduceren van een bijkomend punt dat ik wil belichten:
de opvattingen van moraalfilosofen. Er wordt een hypothetisch ethisch dilemma
geponeerd, en de moeilijkheid die we ondervinden bij het formuleren van
een antwoord daarop vertelt ons iets over ons besef van goed en slecht. Hauser
gaat verder dan de filosofen, doordat hij ook statistische enquêtes en psychologische
experimenten verricht, bijvoorbeeld door gebruik te maken van vragenlijsten
op internet, om het moreel besef van mensen van vlees en bloed te on-
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 24I
derzoeken. Vanuit onze huidige invalshoek bezien is het interessant te zien dat
de meeste mensen tot dezelfde beslissingen komen bij deze dilemma's, en dat
hun overeenstemming over die beslissingen zelf krachtiger is dan hun vermogen
om hun redenen te verwoorden. Dit is wat we je zou verwachten als er een
moreel bewustzijn in onze hersenen is ingebouwd zoals seksueel instinct, hoogtevrees
of - zoals Hauser het zelf liever zegt - taaicapaciteit (de details van de
grammatica variëren van cultuur tot cultuur, maar de onderliggende dieptestructuur
is universeel). Zoals we zullen zien, lijkt de manier waarop mensen
antwoorden op deze morele tests en hun onvermogen om hun keuzes te beredeneren,
in grote mate los te staan van het al of niet koesteren van religieuze
overtuigingen. Ik zal de boodschap van Hausers boek maar meteen in zijn eigen
woorden verklappen: 'Onze ethische oordelen worden aangestuurd door een
universele morele grammatica, een verstandelijk vermogen dat in de loop van
miljoenen jaren zodanig is geëvolueerd dat het een set principes omvat voor het
bouwen van een scala van mogelijke ethische stelsels. Net als bij taal bewegen de
principes waarop onze morele grammatica is gebaseerd, zich buiten het bereik
van de radar van ons bewustzijn.'
De morele dilemma's van Hauser worden getypeerd door variaties op het
thema van een op hol geslagen vrachtwagen of een 'lorrie' op een spoorweg die
dreigt een aantal mensen te doden. Het eenvoudigste verhaal voert een persoon
ten tonele, Denise, die bij een wissel staat en in een positie verkeert om de lorrie
naar een zijspoor te manoeuvreren en zo het leven te redden van vijf mensen
die vastzitten op het hoofdspoor. Helaas zit er op het zijspoor ook een man vast.
Maar aangezien hij de enige persoon is en dus verreweg in de minderheid ten
opzichte van de vijf mensen op het hoofdspoor, zijn de meeste mensen het erover
eens dat het moreel toelaatbaar, om niet te zeggen geboden is dat Denise
de wissel bedient en vijf mensen redt door één man te doden. We houden geen
rekening met hypothetische mogelijkheden van het type dat die ene man op het
zijspoor Beethoven of een dierbare vriend zou kunnen zijn.
In nadere uitwerkingen van het gedachte-experiment verschijnt een reeks
steeds hachelijker ethische vraagstukken. Wat doe je als je weet dat de lorrie tot
stilstand kan worden gebracht door vanaf een brug een groot gewicht op het
spoor te laten vallen? Dat is niet moeilijk: uiteraard moeten we dat gewicht dan
laten vallen. Maar als nu een heel dikke man, die op de brug zit te genieten van
de ondergaande zon, het enige grote gewicht voorhanden is? Bijna iedereen is
het erover eens dat het immoreel is om de dikke man van de brug te duwen, ook
242 GOD ALS MISVATTING
al zou je het dilemma vanuit een bepaald standpunt geredeneerd kunnen zien
als parallel aan dat van Denise, waarbij het omzetten van een wissel leidt tot de
dood van één persoon in plaats van vijf slachtoffers. De meesten van ons hebben
de krachtige intuïtie dat er een essentieel verschil is tussen deze twee gevallen,
al krijgen we vermoedelijk niet verwoord waar 'm dat verschil in zit.
De dikke man van de brug duwen, doet denken aan een ander dilemma dat
Hauser aankaart. Vijf patiënten in een ziekenhuis liggen op sterven. Bij allen
functioneert een verschillend orgaan niet meer. Ieder van hen zou kunnen worden
gered als er een donor kon worden gevonden voor het specifieke orgaan dat
niet werkt, maar er zijn geen donoren voorhanden. Dan ziet de chirurg dat er
een gezonde man in de wachtkamer zit. De vijf benodigde organen werken bij
hem stuk voor stuk uitstekend en ook zijn ze anderszins geschikt voor transplantatie.
In dit geval is er vrijwel geen respondent te vinden die bereid is om te
zeggen dat het moreel aanvaardbaar is om die ene man te doden en zodoende
vijf levens te redden.
Net als bij de dikke man op de brug voelen de meesten van ons intuïtief aan
dat je een argeloze omstander niet plotseling in een ernstige situatie mag slepen
en die persoon zonder zijn instemming gebruiken om anderen te redden. Immanuel
Kant formuleerde dat principe op beroemde wijze: 'Een rationeel wezen
mag nooit louter worden ingezet als een onwillig middel tot een doel, zelfs
niet wanneer dat doel anderen tot voordeel strekt.' Daarin lijkt het cruciale verschil
te liggen tussen het geval van de dikke man op de brug (of de man in de
wachtkamer van het ziekenhuis) en de persoon op het zijspoor van Denise. De
dikke man op de brug wordt duidelijk gebruikt als een middel om de op hol geslagen
lorrie te stoppen. Dat is onmiskenbaar een inbreuk op het principe van
Kant. De persoon op het zijspoor wordt niet gebruikt om de levens van de vijf
mensen op de hoofdspoorbaan te redden. Het is het zijspoor dat wordt gebruikt,
en hij heeft gewoon de pech dat hij daar staat. Maar waarom hebben we
er vrede mee als we dat onderscheid maken? Voor Kant ging het om een morele
absoluutheid. Volgens Hauser heeft onze evolutie het bij ons ingebouwd.
De hypothetische situaties met de op hol geslagen lorrie worden steeds vernuftiger,
en de morele dilemma's navenant gecompliceerder. Hauser zet twee
dilemma's tegenover elkaar waarmee de hypothetische individuen Ned en Oscar
worden geconfronteerd. Ned staat bij een spoorweg. In tegenstelling tot Denise,
die de lorrie naar een zijspoor kon ombuigen, stuurt de wissel van Ned het
gevaarte naar een zijlus die op een punt vlak voor de vijf mensen weer uitkomt
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 243
op het hoofdspoor. Gewoon de wissel bedienen baat niet: de lorrie zal sowieso
inrijden op het vijftal zodra hij via de omleiding weer op de hoofdbaan komt.
Maar toevallig bevindt zich op het omleidspoor een buitengewoon dikke man
die zwaar genoeg is om de lorrie tot stilstand te brengen. Moet Ned de wissel bedienen
en de trein omleiden? De meeste mensen zeggen intuïtief dat hij dat niet
mag doen. Maar wat is het verschil tussen het dilemma van Ned en dat van Denise?
Vermoedelijk passen mensen Kants principe intuïtief toe. Denise leidt de
lorrie om en voorkomt dat het ding de vijf mensen verplettert; het onfortuinlijke
slachtoffer op het zijspoor is zijdelingse of onbedoelde schade - collateral damage,
om de elegante terminologie van Rumsfeld te gebruiken. Hij wordt niet
door Denise gebruikt om de anderen te redden. Ned gebruikt de dikke man wel
degelijk om de lorrie te doen stoppen, en de meeste mensen (misschien zonder
erbij na te denken) beschouwen dat als een essentieel verschil, net als Kant (die
er juist tot in de finesses over heeft nagedacht).
Dat verschil komt ook naar voren bij het dilemma van Oscar. Oscars situatie
is identiek aan die van Ned, behalve dan dat er een groot ijzeren gewicht op
het omleidspoor ligt, een gewicht dat zwaar genoeg is om de lorrie te stoppen.
Het is wel duidelijk dat Oscar snel zal beslissen om de wissel te bedienen en de
lorrie om te leiden, ware het niet dat er een wandelaar bij het ijzeren gewicht
rondloopt. Die figuur zal zeker de dood vinden als Oscar de wissels omzet, net
zo zeker als de dikke man bij Ned zal omkomen. Het verschil is dat Oscars wandelaar
niet wordt gebruikt om de lorrie te stoppen: net als in het dilemma van
Denise, is hij collateral damage.
Zoals Hauser en het merendeel van zijn respondenten heb ik het gevoel dat
Oscar de wissel wel mag bedienen, maar Ned niet. Maar ik vind het ook moeilijk
om die intuïtie hard te maken. Hauser stelt dat we onze morele intuïtie vaak
moeilijk kunnen beredeneren, maar dat we die ingevingen door toedoen van
onze evolutionaire erfenis niettemin als heel krachtig ervaren.
Bij wijze van fascinerende zijstap in het studieveld van de antropologie
stemden Hauser en zijn collega's hun morele experimenten af op de Kuna, een
kleine Midden-Amerikaanse stam die weinig contact heeft met westerlingen en
geen formele godsdienst kent. De onderzoekers wijzigden het gedachte-experiment
met de op hol geslagen lorrie tot plaatselijk meer geschikte equivalenten,
zoals krokodillen die in de richting van kano's zwemmen. Met overeenkomstige
minieme verschillen geven de Kuna blijk van dezelfde ethische oordelen als
wij allemaal.
244 GOD ALS MISVATTING
Van bijzonder belang voor dit boek is de vraag die Hauser zichzelf stelde:
zijn er verschillen te ontdekken tussen de morele intuïtie van gelovige mensen
en die van atheïsten? Je mag aannemen van wel, als wij onze ethiek ontlenen aan
religie. Maar het ziet er toch naar uit dat er geen verschillen zijn. Hauser werkte
op dat punt samen met de ethicus Peter Singer. Ze richtten zich op drie hypothetische
dilemma's en vergeleken de ethische beslissingen van atheïsten met
die van gelovigen. Bij elke casus werd de proefpersonen gevraagd om aan te geven
of een hypothetisch optreden in moreel opzicht verplicht, toelaatbaar of
verboden was. De drie dilemma's waren:
1. Het dilemma van Denise. Negentig procent van de respondenten
acht het toelaatbaar om de lorrie om te leiden, waardoor er één dode
zou vallen om vijf mensen te redden.
2. Je ziet dat een kind dreigt te verdrinken in een vijver en dat er geen
hulp in zicht is. Jij kunt het kind redden, maar dat kost je wel je
broek. Van de steekproef vond 97% dat je het kind moest redden
(verbijsterend dat toch nog 3% kennelijk liever zijn broek redt!).
3. Het dilemma van de orgaantransplantatie. Van alle respondenten
acht 97% het moreel verboden om de gezonde persoon in de wachtkamer
te overmeesteren en hem te doden voor zijn organen teneinde
vijf andere mensen te redden.
De voornaamste uitkomst van de studie van Hauser en Singer is dat er statistisch
geen significant verschil is aan te tonen tussen de beoordelingen van atheïsten
en gelovigen. Dat lijkt overeen te komen met het standpunt dat velen met
mij delen, namelijk dat we geen God nodig hebben om goed te zijn - of slecht.
ALS ER GEEN GOD IS, WAAROM ZOUDEN
WE DAN GOED ZIJN?
Als je de vraag zo stelt, klinkt hij wel erg navrant. Als een godsdienstige persoon
mij de aldus geformuleerde vraag voorlegt (en dat gebeurt vaak) ben ik onmiddellijk
geneigd om hem of haar voor de volgende uitdaging te plaatsen: 'Wilt u
nu zeggen dat u alleen een goed mens probeert te zijn om Gods goedkeuring en
beloning te verkrijgen of om zijn afkeuring of bestraffing te vermijden? Dat
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 245
heeft niets met ethiek te maken, dat is gewoon hielenlikkerij, pluimstrijkerij!
Over je schouder naar de grote bewakingscamera in de hemel loeren of attent
zijn op het afluistermicrofoontje in je hoofd, dat elke beweging en zelfs de simpelste
gedachte registreert!' Einstein zei het al: 'Als mensen zich alleen goed gedragen
omdat ze straf vrezen en hopen op beloning, dan zijn we wel een heel
miserabel samenraapsel.' In The Science of Good and Evil noemt Michael Shermer
dit een 'debat-stopper'. Als je de opvatting deelt dat je bij afwezigheid van
God 'overvallen, verkrachting en moord zou plegen', zet je jezelf te kijk als een
immoreel persoon, 'en dan doen we er goed aan om met een wijde boog om je
heen te lopen.' Zou je anderzijds toegeven datje een goed mens zou blijven, ook
als je niet onder goddelijk toezicht stond, dan ondermijn je op funeste wijze de
bewering dat God voor ons noodzakelijk is om goed te zijn. Ik vermoed dat heel
wat religieuze mensen inderdaad denken dat godsdienst datgene is wat hen beweegt
om goed te doen, vooral als ze een van die religies aanhangen die persoonlijke
schuldgevoelens systematisch uitbuiten.
Wie meent dat wij allemaal harteloze en egoïstische hedonisten zouden
worden - zonder vriendelijkheid, zonder menslievendheid, zonder edelmoedigheid,
zonder iets dat de naam goedheid verdient - als het geloof in God plotseling
van de aardbodem zou verdwijnen, geeft volgens mij blijk van wel erg
weinig zelfrespect. Men gelooft alom dat Dostojevski die mening was toegedaan,
vermoedelijk vanwege een paar opmerkingen die hij Ivan Karamazov in
de mond legt:
... heeft hij [Ivan] verklaard dat er hoegenaamd geen natuurwet bestond
die de mens dicteerde zijn naaste lief te hebben, en dat als die liefde
wel bestond - of ook maar had bestaan in de wereld tot op heden -
die niet werd ingegeven door een natuurwet, maar louter door het geloof
van de mens in zijn eigen onsterfelijkheid.
Hij voegde er terloops aan toe dat dat precies de aard van de natuurwet
was, namelijk dat zodra het geloof van de mens in zijn eigen onsterfelijkheid
werd vernietigd, daarmee niet alleen zijn vermogen tot liefhebben
uitgeput zou zijn, maar ook de vitale krachten die het leven op
deze wereld in stand hielden. En dan zou niets meer gelden als immoreel;
alles zou geoorloofd zijn, zelfs kannibalisme. En alsof dat nog niet
volstond, eindigde hij met de verklaring dat voor elk individu dat noch
in God noch in zijn eigen onsterfelijkheid gelooft - zoals jij en ik bij-
246 GOD ALS MISVATTING
voorbeeld - de natuurwet dan terstond het volstrekte tegenovergestelde
zou worden van de op godsdienstige grondslag verwoorde wet die altijd
voorrang had gehad, en dat egoïsme, zich zelfs uitstrekkend tot criminaliteit,
niet alleen toelaatbaar zou zijn, maar zou worden erkend als de
wezenlijke, meest rationele en zelfs edelste raison d'être van het menszijn.
8 8
Het is naïef misschien, maar ik ben geneigd de menselijke aard minder cynisch
te bekijken dan Ivan Karamazov. Hebben we inderdaad politietoezicht nodig -
in de vorm van God of van elkaar - om te voorkomen dat wij ons egoïstisch en
crimineel zouden gedragen? Ik wil dolgraag geloven dat zo'n bewaking bij mij
niet nodig is - en bij u evenmin, waarde lezer. Om ons zelfvertrouwen wat af te
zwakken is het anderzijds goed om even te kijken naar de ontgoochelende ervaring
tijdens een staking van de politie in Montreal, die Steven Pinker beschrijft
in The Blank Slate:
In de romantische jaren zestig geloofde ik als jonge tiener in Canada, het
land dat zo prat gaat op zijn vredige klimaat, echt in het anarchisme van
Bakoenin. Lachend wuifde ik het argument van mijn ouders weg dat de
hel zou losbreken als de regering ooit het leger zou opheffen. Dat verschil
van inzicht werd op de proef gesteld op 17 oktober 1969 om acht
uur 's morgens, toen de politie van Montreal in staking ging. Tegen half
twaalf 's morgens werd de eerste bank beroofd. Rond het middaguur
waren de meeste winkels in het centrum gesloten vanwege plunderingen.
Een paar uur later brandden taxichauffeurs de garage plat van een
limousineverhuurbedrijf dat met hen concurreerde om klanten bij de
luchthaven op te pikken. Vanaf een dak schoot een sluipschutter een politieman
uit de provincie dood; relschoppers braken in in diverse hotels
en restaurants; en in een huis in een buitenwijk sloeg een arts een inbreker
dood. Tegen het einde van de dag waren er zes banken beroofd, honderd
winkels geplunderd, twaalf branden gesticht, veertig wagonladingen
aan winkelruiten stukgeslagen en werd er voor drie miljoen dollar
materiële schade aangericht, alvorens het stadsbestuur het leger en natuurlijk
de Mounties [de fameuze bereden politie] moest laten aanrukken
om de orde te herstellen. Deze doorslaggevende proefondervindelijke
test liet geen spaan heel van mijn politieke opvattingen...
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 247
Misschien ben ik een dwaze optimist om te denken dat mensen ook fatsoenlijk
blijven als ze niet door God in de gaten gehouden zouden worden. Anderzijds
geloofde de meerderheid van de bevolking van Montreal vermoedelijk in God.
Waarom werden ze niet in toom gehouden door hun godvrezendheid toen
aardse politiemannen tijdelijk van het toneel waren verdwenen? Was de staking
in Montreal niet een behoorlijk goed en spontaan experiment om de veronderstelling
te toetsen dat het geloof in God ons tot goede mensen maakt? Of had de
cynicus H.L. Mencken gelijk toen hij wrang opmerkte: 'Mensen zeggen dat we
religie nodig hebben, terwijl ze eigenlijk bedoelen dat we politie nodig hebben.'
Natuurlijk misdroeg niet iedereen in Montreal zich toen de politie uit
beeld was. Het zou interessant zijn om te weten of er een statistische tendens
bespeurbaar is geweest, hoe gering ook, die erop duidde dat gelovigen minder
zouden plunderen en vernielen dan niet-gelovigen. Mijn voorspelling is dat
eerder het tegenovergestelde het geval zal zijn geweest. Je hoort vaak cynisch
zeggen dat je geen atheïsten zal aantreffen in schuttersputjes. Ik neig naar het
vermoeden (op basis van enig bewijsmateriaal, hoewel het wat al te simpel zou
zijn om daar conclusies aan te verbinden) dat je in gevangenissen maar heel
weinig atheïsten zult vinden. Ik wil niet per se beweren dat atheïsme het moreel
besef vergroot, hoewel het humanisme - het ethisch systeem dat vaak met
atheïsme gepaard gaat - dat waarschijnlijk wel doet. Een andere goede mogelijkheid
is dat atheïsme is gecorreleerd aan een derde factor, zoals een hoger
opleidingsniveau, intelligentie of reflectievermogen, die misdadige neigingen
beteugelt. Dergelijk op onderzoeksfeiten gebaseerd bewijs strekt beslist niet
tot steun van de algemene opvatting dat religiositeit in positieve zin is gecorreleerd
aan moraliteit. Akkoord, bewijs van correlatie is nooit doorslaggevend,
maar de volgende data die Sam Harris beschrijft in zijn Letter to a Christian
Nation zijn toch frappant.
Hoewel in de Verenigde Staten de voorkeur voor een politieke partij niet
geldt als een volmaakte indicator van religiositeit, is het geen geheim dat de
'rode (republikeinse) staten' hoofdzakelijk rood zijn als gevolg van de verpletterende
politieke invloed van conservatieve christenen. Als er een sterke
correlatie was tussen christelijk conservatisme en de gezondheid van de
samenleving, zou je verwachten dat daar in de rode staten iets van te zien
moet zijn. Dat is niet zo. De 25 steden met de laagste criminaliteit bevinden
zich voor 62 procent in 'blauwe' (democratische) staten, en 38 procent in
248 GOD ALS MISVATTING
'rode' (republikeinse) staten. Van de 25 gevaarlijkste steden bevindt zich 76
procent in rode staten, en 24 procent in blauwe staten. Sterker nog, van de
vijf gevaarlijkste steden in de VS bevinden zich er drie in het vrome Texas.
De twaalf staten met de hoogste inbraakcijfers zijn allemaal rood. Van de
29 staten met de hoogste diefstalen'fers zijn er 24 rood. Van de 22 staten
waar de meeste moorden worden gepleegd zijn er 17 rood.*
Systematisch onderzoek lijkt dergelijke gecorreleerde data te ondersteunen.
Gregory S. Paul vergelijkt in Journal ofReligion and Society (2005) systematisch
zeventien economisch ontwikkelde landen en komt tot de vernietigende conclusie
dat 'in de welvarende democratieën hogere percentages van geloof in en aanbidding
van een schepper correleren met een hogere incidentie van moord,
jeugd- en kindersterfte, overdracht van soa, tienerzwangerschappen en abortus.'
Dan Dennett komt in De betovering van het geloof met het sardonische commentaar
op dat soort studies:
Het behoeft geen betoog dat deze resultaten zo hard indruisen tegen de
gebruikelijke aanspraken op superieure morele rechtschapenheid onder
gelovigen dat er een hele golf van nader onderzoek is geweest, ingezet door
religieuze organisaties, in een poging die resultaten te weerleggen [... ] Eén
ding weten we zeker: als er een significante positieve relatie bestaat tussen
moreel gedrag en het aanhangen en beoefenen van een godsdienst, dan
zullen we daar gauw achter komen, aangezien zo veel religieuze organisaties
er kien op zijn hun traditionele opvattingen op dat vlak wetenschappelijk
te bevestigen. (Ze zijn nogal onder de indruk van de waarheid die de
wetenschap onomstotelijk aantoont als die tenminste strekt tot onderbouwing
van wat ze al geloven.) Elke maand die verstrijkt zonder zo'n wetenschappelijk
bewijs voedt de argwaan dat het gewoon niet zo is.
De meeste weldenkende mensen zullen het ermee eens zijn dat moreel besef dat
zich manifesteert zonder toezicht van bovenaf in zekere zin 'moreler' is dan het
type onoprechte moraliteit die vervaagt zodra de politie uit beeld is of zodra de

  • ) Merk op dat de aanduiding van politieke kleuren in Amerika precies tegenovergesteld is aan de gewoonte

in Europa, waar rood wordt geassocieerd met links, terwijl blauw de kleur is van rechts, meer
specifiek van het liberalisme.
DE W O R T E L S V A N D E E T H I E K : W A A R O M G E D R A G E N WE ONS G O E D ? 249
bewakingscamera wordt uitgeschakeld - of die camera nu een echte is die in de
gaten wordt gehouden op het politiebureau of een denkbeeldige in de hemel.
Maar het is misschien niet eerlijk om de vraag 'Als er geen God is, waarom dan
de moeite doen om goed te zijn?' zo cynisch te interpreteren.* Een religieus ingestelde
denker zou kunnen komen met een interpretatie die op een eerlijker
manier moreel is, in de trant van de volgende uitspraak van een denkbeeldige
pleitbezorger van het geloof: 'Als je niet in God gelooft, geloof je niet dat er absolute
morele maatstaven bestaan. Je kunt je met de beste wil van de wereld wel
voornemen om een deugdzame persoon te zijn, maar hoe weet je wat goed of
fout is? Uiteindelijk kan alleen religie absolute criteria aandragen voor goed en
fout. Zonder religie moet je het gaandeweg allemaal zelf verzinnen. En dat zou
moraliteit zonder voorschriftenboek zijn: moraliteit "voor de vuist weg". Als
ethiek een kwestie van keuzes is, had Hitier kunnen aanvoeren dat hij een moreel
rechtschapen man was op basis van zijn eigen, door de idee van rasveredeling
geïnspireerde maatstaven, en het enige dat de atheïst kan doen is een persoonlijke
keuze maken om zijn leven te leiden in een ander licht. De christen,
jood of moslim daarentegen kunnen aanvoeren dat er aan het kwade een absolute
betekenis moet worden verbonden die altijd en overal opgaat, een betekenis
die Hitier bestempelt als absoluut slecht.'
Zelfs als het waar was dat we God nodig hebben voor ons moreel bewustzijn,
dan nog zou dat het bestaan van God natuurlijk niet waarschijnlijker maken,
hooguit wenselijker (veel mensen zien het verschil niet). Maar daar gaat
het hier niet om. Mijn denkbeeldige pleitbezorger van religie hoeft niet toe te
geven dat Gods hielen likken het godsdienstige motief is om goed te doen. Hij
zal eerder beweren dat, waar het motief 'om goed te doen ook vandaan komt, er
zonder God geen norm zou zijn om te bepalen wat goed is. We zouden allemaal
zelf een definitie van goed en kwaad kunnen bedenken en ons daarnaar
gedragen. Morele principes die alleen op religie zijn gebaseerd (in tegenstelling
tot bijvoorbeeld de 'gulden regel' die vaak in verband wordt gebracht met
religies, maar ook aan iets anders kan worden ontleend) kun je beschouwen
als absoluut, als volstrekt geldend. Goed is goed en slecht is slecht, en we gaan
niet stechelen om uitspraken te doen over bijzondere gevallen die bijvoorbeeld
een ander leed berokkenen. Mijn religieuze pleitbezorger zal aanvoeren

  • ) H.L. Mencken definieerde, wederom met zijn markante cynisme, de notie 'geweten' als 'de innerlijke

stem die ons waarschuwt dat er misschien iemand kijkt'.
250 GOD A L S M I S V A T T I NG
dat alleen godsdienst als basis kan dienen om te bepalen wat goed is.
Bepaalde filosofen, met name Kant, hebben geprobeerd om absolute ethische
normen te ontlenen aan niet-religieuze bronnen. Hoewel Kant zelf gelovig
was, in zijn tijd was dat vrijwel onvermijdelijk,* probeerde hij een moraalsysteem
te baseren op de plicht om de plicht zelf, niet op plicht die door God zou
zijn ingegeven. Zijn beroemde categorische imperatief gelast ons 'slechts te
handelen volgens die stelregel waarvan u tegelijk kunt willen dat deze tot algemene
wet wordt'.
Dit werkt prima voor het voorbeeld van liegen. Laten we ons een wereld
voorstellen waarin mensen tegen elkaar liegen als een kwestie van principe, een
wereld waarin liegen geldt als een goede, moreel geaccepteerde zaak. In zo'n
wereld zou het begrip 'liegen' zelf geen betekenis meer hebben. Liegen vereist
voor zijn eigen definitie immers een zekere aanname van waarachtigheid. Als
een moreel principe iets is waarvan we willen dat iedereen zich eraan houdt,
kan liegen geen moreel beginsel zijn, omdat het beginsel zelf zou verbrokkelen
tot een betekenisloos begrip. Liegen als stelregel is inherent onstabiel. Meer in
het algemeen kan zelfzuchtigheid, of zonder tegenprestatie parasiteren op de
goede wil van anderen, voor mij goed werken als geïsoleerd egoïstisch individu
en mij persoonlijk voldoening bezorgen. Maar ik kan onmogelijk wensen dat
iedereen zelfzuchtig parasitisme zou aanvaarden als moreel principe, al was het
maar omdat ik dan niemand zou hebben om op te parasiteren.
De Kantiaanse imperatief lijkt te werken voor het spreken van de waarheid
en voor nog een paar gevallen. Het is niet gemakkelijk om in te zien hoe deze
imperatief kan worden verbreed tot moraliteit in het algemeen. Ondanks Kant
is het verleidelijk om het eens te zijn met mijn denkbeeldige geloofsijveraar die
aanvoert dat absolute morele waarden doorgaans worden ingegeven door
godsdienst. Is het altijd verkeerd om een ongeneeslijk zieke patiënte op haar eigen
verzoek uit haar lijden te verlossen? Is het altijd verkeerd om de liefde te bedrijven
met iemand van je eigen geslacht? Is het altijd verkeerd om een embryo
te doden? Er zijn mensen die dat geloven en ze doen dat op absolute gronden.
Zij dulden geen nadere argumentatie en weigeren het debat. Wie het niet met
hen eens is, verdient het doodgeschoten te worden: metaforisch natuurlijk niet

  • ) Dit is de standaarduitleg van de opvattingen van Kant. De bekende filosoof A.C. Grayling heeft echter

met degelijke argumenten beweerd (New Humanist, juli/aug. 2006) dat Kant, hoewel hij in het
openbaar meeliep met de godsdienstige conventies van zijn tijd, in werkelijkheid een atheïst was.
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 251
letterlijk - behalve in het geval van bepaalde artsen in Amerikaanse abortusklinieken
(zie volgend hoofdstuk). Maar gelukkig hoeven morele waarden niet
absoluut te zijn.
Moraalfilosofen zijn de professionals als het gaat om het denken over goed
en fout. Robert Hinde stelt het heel bondig: ethici zijn het erover eens dat 'morele
geboden misschien niet per se geconstrueerd zijn op basis van de rede,
maar wel altijd op basis van de rede te verdedigen moeten zijn'.8 9 Ethici zijn op
allerlei manieren in te delen, maar in de hedendaagse terminologie onderscheidt
men als de twee voornaamste categorieën de deontologen (zoals Kant)
en de consequentialisten (onder wie utilitaristen zoals Jeremy Bentham, 1748-
1832). Déontologie is een mooi woord voor de opvatting dat moraliteit bestaat
uit het gehoorzamen van regels. Letterlijk is het de wetenschap van de plichten
- van het Griekse deon, 'het nodige'. Déontologie is niet helemaal hetzelfde als
moreel absolutisme, maar in een boek over religie is het eigenlijk niet nodig om
nader in te gaan op het verschil. Absolutisten geloven dat er absolute regels gelden
die bepalen wat goed en kwaad is, imperatieven waarvan de juistheid niet
wordt teruggevoerd op hun gevolgen. Consequentialisten stellen zich op het
pragmatischer standpunt dat de moraliteit van een handeling moet worden beoordeeld
aan de hand van de gevolgen van die handeling. Een versie van het
consequentialisme is het utilitarisme, de filosofie die in verband wordt gebracht
met Jeremy Bentham, zijn vriend James Mill (1773-1836) en Mills zoon, John
Stuart Mill (1806-1873). Het utilitarisme wordt vaak samengevat met de (helaas)
onnauwkeurige uitspraak van Bentham:'[...] het fundament van recht en
ethiek is het grootste geluk voor het grootste aantal betrokkenen [...]'.
Niet elke vorm van absolutisme wordt ontleend aan religie. Toch is het behoorlijk
moeilijk om een absoluut waardenstelsel te verdedigen op andere dan
religieuze gronden. De enige concurrent die ik kan bedenken is vaderlandsliefde,
vooral in tijden van oorlog. De vermaarde Spaanse filmregisseur Luis Bunuel
zei het al: 'God en vaderland zijn een onklopbaar team; ze breken alle records
als het gaat om onderdrukking en bloedvergieten.'Officieren belast met rekrutering
zijn in belangrijke mate afhankelijk van het patriottische plichtsbesef van
hun slachtoffers. In de Eerste Wereldoorlog deelden vrouwen witte veren uit
aan jongemannen zonder uniform.
Oh, we don't want to lose you, but we think you ought to go
For your King en your land both need you so.
252 GOD ALS MISVATTING
(O, wij willen jullie niet kwijt, maar ga! Want wel willen we vertellen
dat koning en natie het niet zonder jullie kunnen stellen.)
De mensen minachtten gewetensbezwaarden - en zelfs dienstweigeraars aan de
zijde van de vijand - omdat vaderlandsliefde werd gezien als een absolute
deugd. Het is moeilijk iets absoluters te verzinnen dan het 'goed of fout, het is
en blijft mijn land' van de beroepsmilitair, want die slogan verbindt je ertoe om
diegenen te doden die politici ergens in de toekomst mogelijk 'de vijand' besluiten
te noemen. Consequentialistisch redeneren kan van invloed zijn op de politieke
beslissing om ten oorlog te trekken, maar zodra de oorlog wordt verklaard,
neemt absolutistisch patriottisme het heft in handen met een kracht en
een macht die alleen in het religieuze veld hun weerga vinden. Een soldaat die
zich door zijn eigen ideeën qua consequentialistische moraliteit laat overtuigen
om niet uit zijn loopgraaf te komen, zal vermoedelijk voor de krijgsraad moeten
verschijnen en zelfs worden geëxecuteerd.
Aanleiding voor deze uiteenzetting over moraalfilosofie was een veronderstelde
bewering uit religieuze hoek dat morele waarden zonder een God betrekkelijk
en arbitrair zijn. Men laat Kant en andere erudiete moraalfilosofen voor
wat ze zijn, laat zich wel het nodige gelegen liggen aan vaderlandsliefde, maar
men verkiest een of ander heilig boek als bron van absolute moraliteit, en aan
dat boek wordt een gezag verbonden dat veel verder reikt dan de geschiedenis
van dat boek kan rechtvaardigen. Feit is dan ook dat aanhangers van het absolute
gezag van hun heilige boek onrustbarend weinig nieuwsgierigheid aan de
dag leggen naar de (meestal bijzonder twijfelachtige) historische herkomst van
hun heilige boeken. Het volgende hoofdstuk wil aantonen dat, hoe het ook zij,
mensen die beweren dat ze hun normen en waarden ontlenen aan hun heilige
boek, dat in de praktijk eigenlijk niet doen. En dat is maar goed ook, zoals ze zelf
zouden inzien als ze even nadachten.
DE WORTELS VAN DE ETHIEK: WAAROM GEDRAGEN WE ONS GOED? 253

Ad blocker interference detected!


Wikia is a free-to-use site that makes money from advertising. We have a modified experience for viewers using ad blockers

Wikia is not accessible if you’ve made further modifications. Remove the custom ad blocker rule(s) and the page will load as expected.

Also on FANDOM

Random Wiki